Bij vogels valt de bruiloftstijd, we spreken ook van de paartijd, in de lente.
Met pronken en pralen en met luidruchtig fluiten probeert het merelmannetje het wijfje naderbij te lokken.
Laat een merelwijfje zich verleiden, dan gaat het mannetje met slepende staart en hangende vleugels rondom haar heen stappen. Hij maakt haar het hof.
Het wijfje begrijpt deze gebarentaal van het mannetje zeer goed: hij maakt haar duidelijk dat ze nu zijn vrouw wordt en dat hij verwacht dat ze klaar is om haar eitjes te laten bevruchten. Weldra gaat ze neerhurken en de vleugels spreiden. Triomfantelijk bestijgt het mannetje de rug van het wijfje en brengt hij zijn geslachtsopening precies tegenover en ook in die van het wijfje. Nu spuit hij het sperm met de spermcellen langs de geslachtsopening van het wijfje in het wijfjeslichaam naar binnen.
Daar beginnen de spermcellen hun tocht op zoek naar de eicellen. De eicellen ontwikkelen zich in het vogellichaam, in een orgaantje, de eierstok, genoemd. De bevruchting gebeurt dus bij de merel, en ook bij andere vogels, binnenin het moederlichaam. Pas daarna wordt de harde schaal rond het ei gevormd en komt het naar buiten.
Het merelwijfje gaat nu zitten broeden. Ze houdt eieren warm. Zo kan het jonge vogeltje zich binnenin het ei verder ontwikkelen, tot het zo groot is dat de eischaal breekt en het jonge vogeltje naar buiten kan. Daarna dient het nog enkele weken door de oudervogels verzorgd te worden, alvorens het op eigen vleugels kan wegvliegen.